Hoeveel voorbereidingstijd hoor je te krijgen? De opslagfactor in po, vo, mbo en hbo

Auteur: Basten Berg
Gepubliceerd: 1 augustus 2026
Gebaseerd op: CAO PO 2025-2027, CAO VO 2025/2027, CAO MBO 2025-2026 en CAO HBO 2026
Redacteur: Gezocht
Wil je dit artikel redigeren? Dat kan! Heb je een foutje gevonden of mis je informatie? Stuur dan een mail naar bastenberg@eenmeesterinleren.nl en help zo mee om het onderwijs te verbeteren.

Inhoudsopgave

  1. Wat is voorbereidingstijd, en wat is een opslagfactor?
  2. Vo: de cao noemt geen getal, je taakbeleid wel
  3. Po: het team beslist óf er een opslagfactor is
  4. Mbo: ten minste 40 procent, en dat is afdwingbaar
  5. Hbo: geen opslagfactor, wel een toetsbare taakopdracht
  6. De vier sectoren naast elkaar
  7. Hoeveel voorbereidingstijd is redelijk?
  8. Zes vragen die leraren het vaakst stellen
  9. Samenvatting

Welkom op het platform eenmeesterinleren.nl. Een plek voor leraren, andere onderwijsprofessionals en iedereen die geïnteresseerd is in de arbeidsvoorwaarden in het onderwijs. Vanuit mijn achtergrond als biologieleraar, onderwijskundige en lerarenopleider schrijf ik artikelen en maak ik video’s om fundamentele kennis over onderwijs, leren en lesgeven begrijpelijk aan te bieden. Op de community voor leraren vind je een overzicht van alle uitgewerkte onderwerpen geordend per thema en een groep onderwijsprofessionals waar je je vragen aan kunt stellen.

Het is de meest gestelde vraag over werkdruk in het onderwijs, en het antwoord is voor drie van de vier sectoren teleurstellend: de cao noemt geen getal. Maar dat betekent niet dat er niets geregeld is. Er is juist heel precies geregeld wie het getal bepaalt, en dat is op de meeste scholen niet wie je denkt. Dit artikel legt per sector uit waar je voorbereidingstijd vandaan komt, wie erover gaat en hoe je er invloed op hebt.

Na het lezen van dit artikel weet je wat een opslagfactor is, welke sector wel een minimum kent, welke procedure er in jouw sector geldt en welke stappen je kunt zetten als je taak niet past.

Tabel met de opslagfactor voor voorbereidingstijd in po, vo, mbo en hbo
Dit schema is gewoon vrij te gebruiken! Link wel even naar deze pagina.

Let op: hulpmiddel, geen juridisch advies. Aan dit artikel kun je geen rechten ontlenen. Cao-teksten worden regelmatig gewijzigd en de uitleg van een bepaling kan per situatie verschillen. Voor jouw situatie is de actuele cao-tekst leidend. Twijfel je, of gaat het ergens over? Leg het dan voor aan je werkgever, je P(G)MR of je vakbond.

1. Wat is voorbereidingstijd, en wat is een opslagfactor?

De opslagfactor is de tijd die je krijgt voor alles wat bij een les hoort maar geen les is: voorbereiden, nakijken, leerlingcontact, administratie. Hij wordt uitgedrukt als een percentage of een vermenigvuldiger bovenop je lestijd.

Een voorbeeld. Geef je een les van 50 minuten en geldt een opslagfactor van 40 procent, dan wordt daar 20 minuten voor- en nawerk bij gerekend. Je jaartaak wordt dan belast met 70 minuten voor die ene les, niet met 50. Bij een opslagfactor van 1,5 wordt elke lestaakuur als anderhalf uur geteld.

Dat getal bepaalt in de praktijk hoe vol je jaar zit. Alle vier de onderwijs-cao’s gaan uit van een jaartaak van 1659 klokuren bij een volledige betrekking. Hoeveel lessen daarin passen, hangt volledig af van wat er per les wordt bijgeteld. Twee scholen met dezelfde jaartaak en een andere opslagfactor geven hun leraren een wezenlijk andere werkweek.

En dan de kern van dit artikel: in drie van de vier sectoren staat dat getal niet in de cao. Alleen het mbo kent een cao-minimum. In het po en het vo wordt het lokaal bepaald, in het hbo bestaat het begrip helemaal niet.

2. Vo: de cao noemt geen getal, je taakbeleid wel

Kort antwoord: de opslagfactor staat in het taakbeleid van jouw school, niet in de cao vo. Wat de cao wél doet, is verplichten dát hij erin staat.

Artikel 8.1 lid 4 somt op welke onderwerpen in elk geval in het taakbeleid geregeld moeten zijn. Onder b staat: de honorering van voor- en nawerk, oftewel de opslagfactor, plus een omschrijving van welke werkzaamheden daaronder vallen en of die factor varieert naar bijvoorbeeld klassengrootte. Onder c staat het maximumaantal lessen per week. Ontbreekt een van die punten in jouw taakbeleid, dan voldoet je school niet aan de cao.

De andere verplichte onderwerpen zijn de lesdefinitie, deskundigheidsbevordering, de omschrijving en normering in tijd van overige taken waaronder het mentoraat, een analyse van de werkdruk van onderwijsondersteunend personeel, structureel werkoverleg en scholing voor die groep, en een jaarlijkse evaluatie van het taakbeleid.

Boven het taakbeleid staat een harde grens: je maximale lestaak bedraagt 720 klokuren per jaar (artikel 8.1 lid 1). In de toelichting rekenen cao-partijen dat om: bij lessen van 50 minuten en maximaal 37,8 onderwijsweken kom je op ongeveer 22,9 lesuren per week. Afwijken van die 720 uur kan alleen met afspraken op instellingsniveau of via overleg met de P(G)MR volgens artikel 8.1 lid 6.

De tweederde meerderheid die niemand kent

Dit is de bepaling die op veel scholen onbekend is en die je positie compleet verandert. Wil je werkgever het systeem van taakbeleid wijzigen, dan worden die afspraken besproken met de werknemers binnen de instelling en ter goedkeuring voorgelegd. Voor die goedkeuring is een meerderheid van twee derde vereist. Zonder die meerderheid is wijziging van het geldende taakbeleid niet mogelijk (artikel 8.1 lid 6).

Dat werkt twee kanten op. Het beschermt je tegen een eenzijdige verslechtering, en het betekent dat een derde van je collega’s plus één een wijziging kan blokkeren. Maar het betekent ook dat je zelf geen verbetering doordrukt zonder een ruime meerderheid mee te krijgen.

Daarnaast ligt er een sectorbrede opdracht: alle scholen richten vanuit een professionele dialoog het gesprek over het taakbeleid in en beoordelen dat uiterlijk voor ingang van het schooljaar 2028-2029 opnieuw (artikel 8.2). Sociale partners ontwikkelden daarvoor het raamwerk ‘het professionele gesprek en taakbeleid’, met aparte handreikingen over onder meer het mentoraat en de opslagfactor. Je vindt het op de website van Voion.

3. Po: het team beslist óf er een opslagfactor is

Kort antwoord: in het primair onderwijs staat niet alleen het getal niet in de cao, maar zelfs niet of er überhaupt met een opslagfactor wordt gewerkt. Dat spreekt je team zelf af, in het werkverdelingsplan.

Artikel 2.2 lid 7 bepaalt dat het team vastlegt óf er een opslagfactor wordt gebruikt om te bepalen hoeveel tijd een leraar beschikbaar heeft voor werk dat samenhangt met de lesgevende taak. Wordt er een gebruikt, dan legt het team ook vast welke werkzaamheden er wel en niet onder vallen en welke factoren meewegen in de hoogte ervan.

Datzelfde artikel schrijft nog tien andere onderwerpen voor die verplicht in het werkverdelingsplan geregeld moeten zijn:

  • de verdeling van de te geven lessen en groepen over de individuele teamleden;
  • het voor- en nawerk: het voorbereiden van lessen en het nakijken van toetsen en opdrachten, inclusief de administratieve verwerking;
  • tijd voor de begeleiding van startende collega’s en zij-instromers;
  • de momenten van gezamenlijke professionalisering;
  • de tijd die onderwijsondersteunend personeel nodig heeft voor werk binnen en buiten de klas;
  • welke taken worden uitgevoerd, hoeveel tijd die kosten en hoe ze worden verdeeld;
  • de momenten waarop pauze wordt genoten;
  • de momenten waarop het team vindt dat je aanwezig moet zijn op school;
  • de besteding van de werkdrukmiddelen;
  • de besteding van de professionaliseringsmiddelen uit het Onderwijsakkoord.

Let op wat daar tussen staat: de werkdrukmiddelen en de aanwezigheidsverplichting. Twee onderwerpen waarover op scholen veel discussie is, en waarvan de cao dus zegt dat ze in het werkverdelingsplan thuishoren en niet eenzijdig door de directie worden bepaald.

De procedure eromheen is even belangrijk als de inhoud. Het gesprek vindt jaarlijks vóór de zomervakantie plaats (lid 5), en je werkgever brengt eerst in kaart wat er te doen is: aantal groepen, aantal zorgleerlingen, overige werkzaamheden en geplande scholing (lid 1). Voor invoering is voldoende draagvlak binnen het team nodig, en het team stelt zelf vooraf vast hoe wordt bepaald of dat draagvlak er is (lid 4), met consensus als uitgangspunt. Daarna heeft de PMR instemmingsrecht en toetst die ook of de procedure goed is doorlopen (lid 11).

Boven dat alles hangt een getal dat veel leraren niet kennen: artikel 2.3 lid 6 gaat uit van 940 uur lesgevende taken per jaar bij een voltijdbetrekking. Meer mag alleen met wederzijds goedvinden, en altijd binnen de totale 1659 uur. Het Arbeidsmarktplatform PO heeft er een stappenplan bij gemaakt, en de volledige procedure staat in het artikel over de cao po.

4. Mbo: ten minste 40 procent, en dat is afdwingbaar

Kort antwoord: het mbo is de enige onderwijssector met een opslagfactor in de cao zelf. Loopt de werkverdeling via de toedelingsoptie, dan past de leidinggevende een opslagfactor toe van ten minste 40 procent over de groepslessen, ten behoeve van voorbereiding en nazorg (artikel 3.4 lid 6 onder a).

De cao definieert groepslessen daarbij als ingeroosterde groepsgebonden contactactiviteiten gericht op het realiseren van begeleide onderwijstijd. En de toelichting laat geen ruimte: een lager percentage dan 40 procent is in strijd met de cao. Hanteert je instelling al een hogere opslagfactor, dan blijft die gewoon bestaan.

Die 40 procent staat niet op zichzelf. Het mbo verdeelt je normjaartaak van 1659 uur in twee vaste compartimenten (artikel 3.3 lid 1): 1200 uur voor de uitvoering van het onderwijs en wat daar direct uit voortkomt, en 459 uur voor organisatie en ontwikkeling. In de 1200 uur vallen de ingeroosterde contactactiviteiten én de bijbehorende voorbereiding en nazorg, de begeleiding van de beroepspraktijkvorming, studieloopbaanbegeleiding, mentoraat en het afnemen van toetsen en examens. In de 459 uur zitten onder meer de 59 scholingsuren, 107 uur teamontwikkeling per fte, onderwijsontwikkeling, overleg en coördinatie.

Wil je team van die 1200/459-verdeling afwijken, dan kan dat alleen bij schriftelijke stemming onder alle teamleden en alleen als die stemming unaniem is. Zo’n besluit geldt bovendien maar voor de duur van één cursusjaar (artikel 3.3 lid 2). Eén tegenstem en de standaardverdeling blijft staan.

En dan de zin die je kunt citeren als het spannend wordt: het inzetbaarheidskader is een individueel afdwingbaar recht (artikel 3.4 lid 2). Niet een streven, niet een richtlijn.

De stemprocedure eromheen is even strak (artikel 3.4 lid 5). Alle werknemers met een taak in de uitvoering hebben één stem. De werkverdeling wordt vastgesteld bij ten minste een meerderheid. De stemming moet ten minste vijf werkdagen van tevoren geagendeerd zijn, en wel zo dat ten minste 80 procent van de betrokken werknemers aanwezig kan zijn. Tussen het definitieve voorstel en de stemming zitten ten minste drie werkdagen. Wordt die procedure niet gevolgd, dan is er geen geldig vastgestelde werkverdeling. De volledige uitleg staat in het artikel over de cao mbo.

5. Hbo: geen opslagfactor, maar een toetsbare taakopdracht

Kort antwoord: zoek je in de cao hbo naar een opslagfactor, een maximale lestaak of een aantal contacturen, dan vind je die niet. Die begrippen komen in de hele cao niet voor. In plaats daarvan staat er iets anders, en dat is sterker dan het op het eerste gezicht lijkt.

Artikel G-4 lid 1 bepaalt dat bij de planning en uitvoering van het werk wordt gewerkt met realistische taakopdrachten op individueel en op teamniveau. Taakopdrachten moeten, rekening houdend met beschikbare tijd, capaciteit en middelen, op een reële wijze kunnen worden uitgevoerd binnen je betrekkingsomvang. Dat geldt zowel bij het opstellen van je takenoverzicht als bij het wijzigen ervan tijdens het studiejaar.

Bij het toedelen van taken moet uitdrukkelijk rekening worden gehouden met het bijhouden van ontwikkelingen op je vakgebied, met vervanging bij ziekte en professionalisering, en bij onderwijsgevend personeel met het geven van onderwijs én met voor- en nawerk. Voor- en nawerk staat er dus wel, alleen zonder getal erbij.

Wat het hbo daar tegenover zet, heeft geen enkele andere onderwijssector: je kunt te allen tijde je individuele taakopdracht laten toetsen door een onafhankelijke commissie die je werkgever met instemming van de PMR instelt (artikel G-4 lid 3). Het advies van die commissie is zwaarwegend en aan een termijn gebonden, al heeft de toetsing geen opschortende werking (lid 5). Afspraken over het taakbelastingbeleid gaan ter instemming naar de PMR (lid 4), en het team heeft recht op teambegeleiding om het gesprek over realistische taakopdrachten te voeren.

Waar een leraar in het po of vo het gesprek over werkdruk vooral collectief voert, heb je in het hbo dus een individuele route. Zie het artikel over de cao hbo voor de rest van de regeling.

6. De vier sectoren naast elkaar

PoVoMboHbo
Staat er een getal in de cao?NeeNeeJa, ten minste 40%Nee, het begrip bestaat niet
Wie bepaalt het?Het team, in het werkverdelingsplanDe school, in het taakbeleidDe cao, bij de toedelingsoptieJe leidinggevende, binnen de norm realistisch
Maximum lestaak940 uur uitgangspunt (artikel 2.3 lid 6)720 klokuren (artikel 8.1 lid 1)1200 uur compartiment (artikel 3.3 lid 1)geen
Hoe wijzig je het?Draagvlak in het team plus instemming PMR (artikel 2.2 lid 4 en 11)Tweederde meerderheid van de werknemers (artikel 8.1 lid 6)Meerderheidsstemming met vormvoorschriften (artikel 3.4 lid 5)Toetsing door onafhankelijke commissie (artikel G-4 lid 3)
Individueel afdwingbaar?Nee, collectiefNee, collectiefJa (artikel 3.4 lid 2)Ja, via de toetsingscommissie

Wat opvalt als je die tabel leest: hoe concreter de cao, hoe individueler je route. In het po en vo is je voorbereidingstijd een teamzaak en heb je als individu weinig aanknopingspunten. In het mbo en hbo kun je in je eentje aan de bel trekken.

Startende leraren krijgen in elke sector minder les

Eén uitzondering geldt overal: als startende leraar hoor je minder te doen. Alleen regelt elke cao dat op een andere manier, en in twee sectoren is het een recht dat je zelf moet opeisen.

SectorWat je krijgtArtikel
Po40 uur bijzonder inductiebudget per jaar bovenop je 123 PDI-uren, plus begeleiding door een coach die uitdrukkelijk niet je direct leidinggevende is. Je bent starter als je minder dan drie jaar als leraar in het po werkt.9.5
Vo20 procent minder lesgevende taak in je eerste jaar en 10 procent in je tweede jaar, plus een driejarig inductieprogramma inclusief de benodigde tijd.8.3
Mbo6,25 procent van de normjaartaak per jaar voor inwerkactiviteiten gedurende de eerste 24 maanden, exclusief de 59 uur professionalisering. De toelichting rekent dat op ongeveer 100 uur per jaar.2.3c lid 3
HboGeen aparte lesreductie, maar je mag je 45 DI-uren gedurende je eerste drie jaar inzetten als aanvulling op het introductiebeleid.M-1-a

Twee dingen om op te letten. In het vo betekent startend een eerste reguliere aanstelling in een leraarsfunctie, ongeacht de omvang van je betrekking; een eerdere aanstelling als leraar in opleiding of als vervanger telt daarvoor niet mee (artikel 8.3 lid 3). En in het vo sluit die lesreductie het basisbudget uit: startende leraren met 20 of 10 procent reductie hebben geen recht op het basisbudget van 90 uur (artikel 7.1 lid 2).

Aan de andere kant van de loopbaan staat een spiegelbeeld: vanaf 57 jaar kun je in het po, vo en mbo uren inleveren tegen een eigen bijdrage, en in het hbo vanaf tien jaar voor je AOW. Die regelingen komen aan bod in de artikelen over de afzonderlijke cao’s.

7. Hoeveel voorbereidingstijd is redelijk?

Eerlijk antwoord: buiten het mbo geeft geen enkele cao je een norm, en ik ga er ook geen verzinnen. Maar er zijn wel drie aanknopingspunten die je in een gesprek kunt gebruiken.

  • De 40 procent uit het mbo. Dat is het enige percentage dat in een Nederlandse onderwijs-cao is vastgelegd, tot stand gekomen tussen dezelfde vakbonden die ook de andere drie cao’s tekenen. Het is in het po, vo en hbo niet bindend, maar het is wél het enige onderhandelde referentiepunt dat er is. Zit jouw school daar ver onder, dan is dat een legitieme vraag.
  • De rekensom uit de cao vo zelf. Cao-partijen rekenen in de toelichting bij artikel 8.1 voor dat 720 klokuren les bij lessen van 50 minuten en maximaal 37,8 onderwijsweken neerkomt op ongeveer 22,9 lesuren per week. Zet die 720 uur naast je jaartaak van 1659 uur en je ziet meteen hoeveel ruimte er in theorie overblijft voor al het andere: 939 uur, waarvan er ook nog 83 uur professionalisering, 16 uur basisvaardigheden en 90 uur basisbudget af gaan. Er blijft dan grofweg 750 uur over. Belangrijk: dat is niet allemaal voorbereidingstijd. Uit diezelfde 750 uur komen ook je mentoraat, surveillance, vergaderingen, rapportbesprekingen, ouderavonden en alle andere taken die je krijgt toebedeeld. Bij een opslagfactor van 50 procent gaat er van die 750 uur al 360 uur op aan voorbereiding en nawerk, en houd je zo’n 390 uur over voor al het andere. Deze som is dus geen claim maar een kader: hij laat zien hoe krap de ruimte is zodra je alles bij elkaar optelt.
  • Je eigen registratie. Niets is in dit gesprek zo overtuigend als een paar weken bijhouden hoeveel tijd voorbereiden en nakijken je werkelijk kosten. De cao verplicht je school in het po en het vo om de tijd voor overige taken te omschrijven en te normeren. Een eigen meting maakt zichtbaar of die normering klopt.

Wat je vooral niet moet doen, is het gesprek voeren als een verzoek om een gunst. In het vo en het po is de opslagfactor een verplicht onderdeel van een document dat er hoort te zijn en dat jaarlijks wordt geëvalueerd. Je vraagt dus niet om iets nieuws, je vraagt of een bestaande afspraak klopt.

Hoe je je voorbereidingstijd ter sprake brengt

Voorbereidingstijd is zo’n onderwerp waarvan iedereen vindt dat er te weinig van is en waar niemand het gesprek over begint. Dat is jammer, want er valt in drie van de vier sectoren wel degelijk iets te regelen.

  • Zoek eerst uit waar het bij jou geregeld is. In het po in het werkverdelingsplan, in het vo in het taakbeleid, in het mbo in de gekozen toedelingsoptie en in het hbo in je taakopdracht. Bij het verkeerde loket aankloppen kost je een half jaar.
  • Reken het uit voor jezelf. Hoeveel lesuren heb je, en hoeveel tijd zit er volgens de planning tegenover? Zet dat naast wat je er feitelijk aan kwijt bent. Twee weken bijhouden is genoeg.
  • Weet of je alleen staat of niet. In het po en het vo is dit een collectieve kwestie: je hebt je team en je PMR nodig. In het mbo kun je het individueel voorleggen, en in het hbo kun je je taakopdracht laten toetsen.
  • Timing helpt. Kom ermee als de werkverdeling of het taakbeleid toch al op tafel ligt, niet halverwege het jaar als alles al vastligt.

Kom je er in het gesprek niet uit, vraag dan om de opbouw op papier: hoeveel uur staat er tegenover een lesuur, en hoeveel uur staat er voor je overige taken? Zodra dat op papier staat, gaat het gesprek over cijfers in plaats van over gevoel.

8. Zes vragen die leraren het vaakst stellen

Hoeveel voorbereidingstijd heb ik recht op?

In het mbo ten minste 40 procent van je groepslessen als de werkverdeling via de toedelingsoptie loopt (artikel 3.4 lid 6). In het po, vo en hbo staat er geen getal in de cao. Daar heb je recht op een taakverdeling die is vastgesteld volgens de voorgeschreven procedure, en in het hbo op een taakopdracht die realistisch is.

Mag mijn school mijn voorbereidingstijd zomaar verlagen?

In het vo niet: wijziging van het systeem van taakbeleid vereist goedkeuring van tweederde van de werknemers (artikel 8.1 lid 6). In het po niet: het werkverdelingsplan heeft draagvlak in het team nodig en instemming van de PMR (artikel 2.2 lid 4 en 11). In het mbo niet onder de 40 procent. In het hbo bestaat de opslagfactor niet, maar moet je taakopdracht wel realistisch blijven.

Telt nakijken mee als voorbereidingstijd?

Ja, in alle sectoren waar het begrip bestaat. Het po noemt letterlijk het voorbereiden van lessen en het nakijken van toetsen en opdrachten inclusief de administratieve verwerking (artikel 2.2 lid 7). Het mbo rekent voorbereiding en nazorg bij de groepslessen. Het vo laat de omschrijving van wat eronder valt aan het taakbeleid over, maar verplicht wél dat die omschrijving er is.

Wat als mijn taak niet past binnen 1659 uur?

Dan klopt de taaktoedeling niet, en dat is geen persoonlijk probleem maar een cao-kwestie. In het hbo is dat het scherpst geformuleerd: je werkgever zorgt ervoor dat je totale werklast past binnen je betrekkingsomvang (artikel G-4 lid 2). In het po stelt de werkgever de inzet vast als het team er niet uitkomt en er een onwerkbare situatie ontstaat, maar altijd binnen die 1659 uur.

Wie beslist waar de werkdrukmiddelen naartoe gaan?

In het po het team, want de besteding van de werkdrukmiddelen is een verplicht onderdeel van het werkverdelingsplan (artikel 2.2 lid 7) waarop de PMR instemmingsrecht heeft. In het vo staat het in artikel 8.6: van de jaarlijkse 300 miljoen euro is 150 miljoen bestemd voor een collectieve aanpak, en de werknemers zijn hierbij gezamenlijk aan zet en gaan met elkaar in overleg over de maatregelen. Het is dus niet aan de directie alleen.

Geldt de voorbereidingstijd ook in deeltijd?

Ja, en dat werkt gewoon evenredig. Geef je in deeltijd 200 uur les en geldt een opslagfactor van 40 procent, dan wordt je jaartaak belast met 280 uur. De maximale lestaak van 720 uur in het vo geldt eveneens naar rato van je betrekkingsomvang.

9. Samenvatting

  • Een opslagfactor is de tijd die je krijgt voor voor- en nawerk per lesuur. Hij bepaalt in de praktijk hoe vol je jaar zit.
  • Alleen de cao mbo noemt een getal: ten minste 40 procent over je groepslessen bij de toedelingsoptie. Minder is in strijd met de cao.
  • In het vo staat de opslagfactor verplicht in het taakbeleid (artikel 8.1 lid 4), maar zonder getal. Wijzigen kan alleen met een tweederde meerderheid van de werknemers.
  • In het po spreekt het team zelfs af óf er met een opslagfactor wordt gewerkt, in het werkverdelingsplan, vóór de zomervakantie en met instemming van de PMR.
  • In het hbo bestaat het begrip niet. Daar geldt de norm van de realistische taakopdracht, met het recht om die individueel te laten toetsen door een onafhankelijke commissie.
  • Hoe concreter de cao, hoe individueler je route: in het po en vo is het een teamzaak, in het mbo en hbo kun je in je eentje aan de bel trekken.
  • De harde bovengrenzen: 720 klokuren les in het vo, 940 uur als uitgangspunt in het po, 1200 uur in het mbo-compartiment, en geen maximum in het hbo.

Op zoek naar praktische kennis over onderwijs en
een betrokken groep collega’s om samen mee te leren?

“Al je vragen over onderwijs, leren en lesgeven snel en op een plek beantwoord door
collega’s en andere experts”

Lees ook

Bronnen

  • PO-Raad, AOb, AVS, CNV Onderwijs, FvOv & FNV (2025). CAO PO 2025-2027. Artikel 2.2 en 2.3.
  • VO-raad, AOb, CNV Onderwijs, FvOv & FNV (2025). CAO VO 2025/2027. Artikel 8.1 tot en met 8.6.
  • MBO Raad, AOb, CNV, FvOv & FNV Overheid (2025). CAO MBO 2025-2026. Artikel 3.3 en 3.4.
  • Vereniging Hogescholen, AOb, FNV, CNV & FvOv (2025). CAO HBO 2026. Artikel G-4.
  • Raamwerk Het professionele gesprek en taakbeleid. Voion. Ontwikkeld door sociale partners, met handreikingen over onder meer de opslagfactor en het mentoraat.
  • Taakbeleid. Voion. Uitleg over kwantitatief en kwalitatief taakbeleid in het vo.
  • Het werkverdelingsplan. Arbeidsmarktplatform PO. Stappenplan bij artikel 2.2.
  • Werkdruk. Stichting Onderwijsarbeidsmarktfonds MBO. Praktijkvoorbeelden uit werkdrukplannen van mbo-instellingen.
  • Werkdruk. Zestor, arbeidsmarkt- en opleidingsfonds hbo. Werkdrukwijzer en monitoring.

Dit artikel is gebaseerd op de tekst van de CAO PO 2025-2027, de CAO VO 2025/2027, de CAO MBO 2025-2026 en de CAO HBO 2026. Cao’s veranderen; controleer bij twijfel altijd de actuele tekst of leg je situatie voor aan je HR-afdeling of een onderwijsbond. Advies en technische realisatie: Basten Berg, eenmeesterinleren.nl.