Specifieke leerstoornissen: herkennen en ondersteunen in de klas

Auteur: Basten Berg
Gepubliceerd: 25 juli 2026
Redacteur: Gezocht
Wil je dit artikel redigeren? Dat kan! Heb je een foutje gevonden of mis je informatie? Stuur dan een mail naar bastenberg@eenmeesterinleren.nl en help zo mee om het onderwijs te verbeteren.

Inhoudsopgave

  1. Wat is een specifieke leerstoornis?
  2. Licht, matig of ernstig
  3. Dyslexie, dyscalculie en dysgrafie
  4. Hoe herken je het in de klas?
  5. Wat je beter niet doet
  6. Wat wél helpt in de klas
  7. Samenvatting

Welkom op het platform eenmeesterinleren.nl, dé plek voor leraren die zich willen blijven ontwikkelen. In dit artikel lees je wat een specifieke leerstoornis is, hoe je dyslexie, dyscalculie en dysgrafie herkent in de klas en vooral: wat wél en niet helpt in je omgang met deze leerlingen.

Deze video is gewoon vrij te gebruiken! Link wel even naar deze pagina.

Na het lezen van dit artikel ken je de definitie van een specifieke leerstoornis en je rol als docent, weet je hoe je de stoornis herkent in de klas, en weet je wat je wel en niet doet met deze leerlingen in de praktijk.

Ik ben Basten, oud-docent biologie en onderwijskundige met bijna twintig jaar ervaring in het onderwijs. Eerst als vmbo-docent in projectgestuurd onderwijs en probleemklassen, later als lerarenopleider in het hbo, waar ik meer dan 2000 docenten begeleidde bij hun start voor de klas.

Op de community voor leraren staat een gratis cursus met alle video’s over passend onderwijs en SEN. Je vindt er meer bruikbare theorie én een groep gelijkgestemde collega’s om samen mee te leren.

Wat is een specifieke leerstoornis?

Een specifieke leerstoornis is een hardnekkig probleem met een basisvaardigheid voor leren, zoals lezen, rekenen of schrijven, bij een leerling die een normale intelligentie heeft en gewoon goed onderwijs heeft gehad.

In het Engels heet dit een specific learning disorder, afgekort SLD. In de DSM-5 (het handboek waarmee psychologen en psychiaters stoornissen classificeren) valt de specifieke leerstoornis onder de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen. Kort gezegd: de basisvaardigheid komt, ook na langdurig en herhaald oefenen, niet goed op gang. Die hardnekkigheid blijkt uit de discrepantie tussen inspanning en resultaat: de leerling werkt hard, maar het resultaat blijft achter.

Belangrijk om te weten: als leraar stel je nooit zelf de diagnose en bepaal je ook niet de behandeling. Je hebt wél een cruciale rol in het signaleren en ondersteunen. School is vaak de plek waar een leerstoornis voor het eerst opvalt, juist omdat jij snel merkt dat er iets niet klopt tussen inzet en opbrengst.

Licht, matig of ernstig

De diagnose krijgt een ernstniveau dat aangeeft hoeveel ondersteuning een leerling nodig heeft: licht, matig of ernstig.

  • Licht: enige moeite op één of meer leerdomeinen. De leerling kan dit compenseren of functioneert goed met wat aanpassingen of ondersteuning.
  • Matig: duidelijke moeite op één of meer domeinen. Zonder periodieke, intensieve en gespecialiseerde ondersteuning lukt het niet om de vaardigheid voldoende te beheersen. Aanpassingen zijn een deel van de dag nodig, op school en thuis.
  • Ernstig: ernstige moeite op meerdere domeinen. Zonder aanhoudende, geïndividualiseerde ondersteuning gedurende vrijwel de hele schoolloopbaan lukt het niet, en zelfs met een heel pakket aan hulp blijft alles efficiënt afhandelen lastig.

Dyslexie, dyscalculie en dysgrafie

Binnen de specifieke leerstoornis bestaan drie specificaties: problemen met lezen (dyslexie), met rekenen (dyscalculie) of met schriftelijke uitdrukking (dysgrafie).

  • Dyslexie is een specifieke leerstoornis met beperkingen in het lezen: het accuraat lezen van woorden, de snelheid en vloeiendheid, en het begrijpend lezen.
  • Dyscalculie is een specifieke leerstoornis met beperkingen in het rekenen: gevoel voor getallen, het onthouden van rekenfeiten, accuraat en vlot rekenen, en cijfermatig redeneren.
  • Dysgrafie is een specifieke leerstoornis met beperkingen in de schriftelijke uitdrukking: accuraat spellen, grammatica en interpunctie, en de helderheid en structuur van een tekst.

Deze drie worden op dezelfde manier gediagnosticeerd, maar hun uiting en de problemen in de praktijk verschillen sterk. Daarmee verschilt ook de ondersteuningsbehoefte per leerling. Een leerling kan overigens meer dan één specificatie tegelijk hebben.

Hoe herken je het in de klas?

Je ziet vaak hard werken met weinig opbrengst, plus signalen die per specificatie verschillen.

Algemeen bij een specifieke leerstoornis: hard werken met beperkt resultaat, taakvermijding bij het betreffende vak, wisselende concentratie door de hoge inspanning, een traag tempo, weinig zelfvertrouwen juist bij dat ene vak, en een groot verschil tussen wat een leerling mondeling kan en wat er op papier komt.

Bij lezen (dyslexie)

  • Spellend of traag lezen, letters in de verkeerde volgorde, woorden overslaan of raden.
  • Snel vermoeid na korte leestijd en moeite met begrijpend lezen bij lange of compacte teksten.

Bij rekenen (dyscalculie)

  • Zwak getalbeeld, tellend blijven rekenen, moeite met tafels en basisfeiten ondanks oefening.
  • Veel omkeerfouten (bijvoorbeeld 6 en 9), stappen in een bewerking overslaan, en moeite met tijd, maten en geld.

Bij schriftelijke uitdrukking (dysgrafie)

  • Onleesbaar of wisselend handschrift en veel spelfouten ondanks instructie.
  • Korte of ontwijkende teksten, traag overschrijven, sterke mondelinge ideeën maar een beperkte schriftelijke uitwerking.

Wat je beter niet doet

Straffen, meer-van-hetzelfde laten oefenen en onvoorbereid hardop laten lezen maken het probleem alleen groter.

  • Geen straf voor traag tempo, spel- of rekenfouten die uit de stoornis voortkomen.
  • Geen meer-van-hetzelfde drilwerk; dat vergroot de frustratie, niet de vaardigheid.
  • Niet onvoorbereid hardop laten lezen of klassikaal dicteren zonder alternatief.
  • Niet alleen op nauwkeurigheid letten; het gaat om inhoud en strategie.
  • Geen lange kopieertaken van het bord of uit boeken; dat kost onevenredig veel energie.
  • Geen eenheidsaanpak (“dit werkt voor iedereen”) en geen wisselende regels over bijvoorbeeld extra tijd.
  • Ga er niet vanuit dat het aan inzet ligt; voorkom labels als “lui” of “slordig”. Je ziet zelden hoeveel inspanning er achter een vijf zit.
  • Zet tijdsdruk en een hoge toetsdichtheid niet in als middel; dat maakt presteren onnodig moeilijker.

Wat wél helpt in de klas

Differentieer in doel, tijd en middel, compenseer met hulpmiddelen en geef heldere, stapsgewijze instructie.

Twee begrippen keren steeds terug. Compenseren betekent: hulpmiddelen toestaan die de zwakke vaardigheid omzeilen, zodat de leerling op niveau kan presteren. Dispenseren betekent: vrijstellen van bepaalde eisen, bijvoorbeeld spelfouten niet meetellen. Beide voelen soms oneerlijk naar de rest van de klas, maar dat is het niet: je toetst de leerling op zijn kwaliteiten, niet op zijn stoornis.

  • Differentieer in doel, tijd en middel: bied extra tijd, verminder de hoeveelheid, maar houd de leerdoelen overeind.
  • Compenseer en faciliteer: sta alles toe dat helpt en haalbaar is, zoals voorleessoftware, tekst-naar-spraak, audioboeken, reken- en tafelkaarten, een spellingchecker en alternatieve toetsvormen.
  • Heldere, stapsgewijze instructie: geef visuele stappenplannen, voorbeelden en non-voorbeelden, modelleer hardop denken en laat strategieën expliciet oefenen.
  • Pre-teaching en herhalen met variatie: bied kernbegrippen vooraf aan en laat leerlingen kort, vaak en verspreid oefenen in plaats van in lange blokken (zie ook spaced practice).
  • Formatief evalueren: beoordeel inhoud en strategie apart van techniek, met rubrics die vorm en inhoud in aparte kolommen zetten.
  • Vaste routines en documentatie: werk met duidelijke tijdschema’s en kleine deadlines, en leg afspraken cyclisch vast zodat je de ondersteuning kunt bijstellen.

Voorbeeld uit de klas: Noor leest traag en verliest de draad bij lange teksten. Je geeft haar de tekst vooraf digitaal zodat ze hem kan laten voorlezen, biedt een samenvatting met de kernbegrippen, en toetst mondeling waar dat kan. Ze laat nu zien wat ze echt begrijpt, in plaats van te blijven hangen op het lezen zelf. Veel van deze aanpassingen helpen trouwens ook de rest van de klas.

Schema: wat helpt wél en wat je beter niet doet bij een specifieke leerstoornis in de klas
In één oogopslag: wat helpt wél en wat je beter laat bij een specifieke leerstoornis in de klas.

Samenvatting

Een specifieke leerstoornis is een hardnekkig probleem met lezen, rekenen of schrijven bij een normale intelligentie. Het is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis met drie specificaties: dyslexie (lezen), dyscalculie (rekenen) en dysgrafie (schrijven), elk met een eigen ernstniveau van licht tot ernstig. Jij stelt geen diagnose, maar je signaleert en ondersteunt. In de klas zie je hard werken met weinig opbrengst en een groot verschil tussen mondelinge en schriftelijke prestaties. Vermijd straf, drilwerk en tijdsdruk; kies juist voor differentiëren, compenseren met hulpmiddelen, heldere stapsgewijze instructie en het apart beoordelen van inhoud en techniek.

Op zoek naar praktische kennis over onderwijs en
een betrokken groep collega’s om samen mee te leren?

“Al je vragen over onderwijs, leren en lesgeven snel beantwoord door
collega’s en andere experts”

Lees ook

Bekijk ook de volledige Kennisbank A-Z met alle onderwerpen over leren en lesgeven.

Bronnen