De 10 instructieprincipes van Barak Rosenshine: zo maak je je instructie effectief

Auteur: Basten Berg
Gepubliceerd: 7 januari 2024
Redacteur: Basten Berg
Wil je dit artikel redigeren? Dat kan! Heb je een foutje gevonden of mis je informatie? Stuur dan een mail naar bastenberg@eenmeesterinleren.nl en help zo mee om het onderwijs te verbeteren.

Inhoudsopgave

  1. Wat zijn de instructieprincipes van Rosenshine?
  2. De herkomst van de tien principes
  3. De tien principes uitgelegd
  4. Van tien principes naar vier strengen
  5. Kritiek op de principes
  6. Rosenshine en het directe instructiemodel
  7. Samenvatting

Welkom op het platform eenmeesterinleren.nl, een plek voor leraren, andere onderwijsprofessionals en iedereen die wil weten hoe goed onderwijs werkt. Vanuit mijn achtergrond als biologieleraar, onderwijskundige en lerarenopleider schrijf ik artikelen en maak ik video’s die fundamentele theorieën over onderwijs, leren en lesgeven begrijpelijk maken.

Wat doen leraren van wie de leerlingen het meest leren eigenlijk anders? De Amerikaanse onderwijsonderzoeker Barak Rosenshine vatte het antwoord samen in tien instructieprincipes. Na het lezen van dit artikel ken je die tien principes, weet je waar ze vandaan komen en hoe ze met elkaar samenhangen, en kun je ze inzetten om je eigen instructie te verbeteren.

Liever het origineel lezen? Het artikel van Rosenshine uit 2012 is gratis te downloaden als pdf (Engels, negen pagina’s).

In de leeromgeving voor leraren vind je een overzicht van alle uitgewerkte theorieën, geordend per thema, en een groep onderwijsprofessionals aan wie je je inhoudelijke vragen kunt stellen.

Deze video is gewoon vrij te gebruiken! Link wel even naar deze pagina.

Wat zijn de instructieprincipes van Rosenshine?

De instructieprincipes van Rosenshine zijn tien onderzoeksgebaseerde aanwijzingen voor effectieve instructie: hoe je nieuwe stof aanbiedt, voordoet, laat oefenen en laat herhalen. Barak Rosenshine (1930-2017), emeritus hoogleraar onderwijspsychologie aan de University of Illinois, publiceerde ze in 2012 in het tijdschrift American Educator.

Met instructie bedoelen we hier alles wat je als leraar doet om leerlingen nieuwe kennis en vaardigheden eigen te laten maken. Dat is uitleggen en voordoen, maar ook vragen stellen, laten oefenen en nagaan of de stof aankomt. De tien principes zijn:

  1. Herhaal dagelijks een deel van wat eerder is geleerd
  2. Presenteer nieuw leermateriaal in kleine stappen en laat leerlingen na elke stap oefenen
  3. Stel veel vragen en controleer de antwoorden van alle leerlingen
  4. Wees een model
  5. Begeleid leerlingen bij het oefenen met nieuw leermateriaal
  6. Ga na of leerlingen het echt begrepen hebben
  7. Zorg voor een hoog succespercentage
  8. Bied scaffolds voor moeilijke taken
  9. Eis en monitor zelfstandige oefening
  10. Activeer geleerde kennis regelmatig
Tien-instructieprincipes-barak-rosenshine-Begeleidingsstrategieën-Principles-Of-Instruction
Figuur: Instructieprincipes van Barack Rosenshine
Bron: teachinghow2s.com

Hieronder licht ik de principes een voor een toe, telkens met een voorbeeld uit de klas. Bij elk principe verwijs ik naar een artikel waarin je je verder kunt verdiepen.

De herkomst van de tien principes

Rosenshine baseerde zijn principes op drie soorten onderzoek. Het eerste is cognitief-psychologisch onderzoek naar hoe onze hersenen informatie opnemen en verwerken, met als belangrijkste inzicht dat ons werkgeheugen beperkt is. Het tweede is onderzoek naar zogeheten master teachers: leraren van wie de leerlingen aantoonbaar meer leerden dan gemiddeld, en wat zij in hun lessen anders deden. Het derde is onderzoek naar cognitieve ondersteuning, zoals modellen, uitgewerkte voorbeelden en scaffolds, die leerlingen helpen bij complexe taken. Het opvallende is dat deze drie bronnen elkaar niet tegenspreken, maar naar dezelfde lespraktijken wijzen.

De principes kwamen niet uit de lucht vallen. Al in de jaren tachtig beschreef Rosenshine, deels samen met Robert Stevens, zes onderwijsfuncties die je terugzag in de lessen van effectieve leraren (daarover meer verderop). In 2010 verscheen een uitgebreide versie van de principes als boekje in de reeks Educational Practices van de International Academy of Education en UNESCO. In 2012 volgde de bekende, kortere versie in American Educator. Rosenshine noemt in deze publicaties eigenlijk zeventien principes, maar werkt er tien uit. Die tien zijn wereldwijd bekend geworden.

In Nederland zijn de principes onder meer bekend geworden via een Nederlandstalige samenvatting van onderwijspsycholoog Paul Kirschner uit 2017, waarop ook de uitleg in dit artikel deels steunt. Wil je de principes in Rosenshines eigen woorden lezen? Het originele artikel is gratis te downloaden bij de American Federation of Teachers. Het is kort, goed leesbaar en bevat bij elk principe ook concrete suggesties voor de klas.

De tien principes uitgelegd

Elk principe staat hieronder met een korte toelichting, een voorbeeld uit de klas en een verwijzing naar verdieping.

1. Herhaal dagelijks een deel van wat eerder is geleerd

Herhaling versterkt wat leerlingen al geleerd hebben en legt verbindingen tussen bestaande en nieuwe kennis. Vooral informatie die leerlingen vaak nodig hebben, zoals begrippen, woorden en procedures, moet zo goed geoefend zijn dat ze die moeiteloos uit hun geheugen ophalen. Dat noemen we automatiseren. Wat geautomatiseerd is, neemt geen ruimte meer in beslag in het werkgeheugen, zodat er plaats overblijft voor nieuwe leerstof en voor het oplossen van problemen. Rosenshine zag dat effectieve leraren de les vaak beginnen met vijf tot acht minuten herhaling van eerdere stof.

In de klas: zet bij binnenkomst drie korte vragen over de vorige les op het bord, die leerlingen uit hun hoofd beantwoorden. Bespreek de antwoorden kort voordat je met de nieuwe stof begint.

Wil je weten waarom herhalen zo goed werkt? Lees dan het artikel over effectieve leerstrategieën.

2. Presenteer nieuw leermateriaal in kleine stappen en laat leerlingen na elke stap oefenen

Ons werkgeheugen kan maar een paar nieuwe brokken informatie tegelijk vasthouden. Die brokken worden ook wel chunks genoemd; schattingen van hoeveel er tegelijk passen lopen uiteen van ongeveer vier tot zeven. Komt er meer nieuwe informatie binnen, dan raakt het werkgeheugen overbelast en blijft er weinig hangen. Door een brok te verwerken en te oefenen, slaan leerlingen het op in hun langetermijngeheugen als een schema. Dan is het geleerd.

Bied nieuwe stof daarom in kleine stappen aan, laat leerlingen na elke stap oefenen en ga pas verder als de vorige stap wordt beheerst.

In de klas: leg bij fotosynthese eerst alleen uit wat een plant opneemt. Laat leerlingen dat in tweetallen aanwijzen bij een afbeelding, en ga pas daarna verder met wat de plant afgeeft.

Lees voor meer informatie het artikel over het korte- en langetermijngeheugen.

3. Stel veel vragen en controleer de antwoorden van alle leerlingen

Vragen helpen leerlingen om te oefenen met wat je net hebt uitgelegd en om verbanden te leggen met wat ze al wisten. Vooral hoe- en waaromvragen, zogeheten epistemische vragen, zetten aan tot dat verbinden. Tegelijk vertellen de antwoorden jou hoe goed de stof is aangekomen en of er meer uitleg nodig is.

Rosenshine benadrukt daarbij een tweede helft die vaak wordt vergeten: controleer de antwoorden van alle leerlingen, niet alleen van de leerling die als eerste een vinger opsteekt.

In de klas: laat iedereen het antwoord op een wisbordje schrijven en het tegelijk omhoog houden. Zo zie je in één oogopslag wie het snapt en wie nog niet.

Lees voor verdieping het artikel over assimilatie en accommodatie.

4. Wees een model

Leerlingen hebben cognitieve ondersteuning nodig om te leren hoe ze een taak uitvoeren of een probleem oplossen. Een krachtige vorm daarvan is dat je het zelf voordoet en ondertussen hardop vertelt wat je denkt en welke stappen je zet. Zo maak je zichtbaar wat zich bij een expert normaal onzichtbaar in het hoofd afspeelt. Ook uitgewerkte voorbeelden, waarin de oplossing stap voor stap is uitgeschreven, werken als model.

In de klas: bespreek een grafiek over populatiegroei hardop denkend: “Eerst kijk ik wat er op de assen staat. Dan zoek ik waar de lijn het steilst loopt, en dan vraag ik me af wat dat betekent.”

Lees voor meer informatie het artikel over modelleren.

5. Begeleid leerlingen bij het oefenen met nieuw leermateriaal

Nieuwe stof één keer aanbieden is niet genoeg. Naast herhaling (het eerste principe) is voldoende en gevarieerde oefening nodig, met jou erbij om bij te sturen. Leerlingen moeten de nieuwe stof herformuleren, uitbreiden en samenvatten om haar goed op te slaan in hun langetermijngeheugen. Rosenshine zag dat de meest effectieve leraren juist meer tijd besteden aan dit begeleide oefenen.

In de klas: maak na de uitleg de eerste twee opgaven samen met de klas op het bord. Laat leerlingen daarna een paar opgaven in tweetallen maken terwijl jij rondloopt.

Lees voor verdieping het artikel over activerende didactiek.

6. Ga na of leerlingen het echt begrepen hebben

Effectieve leraren gaan heel vaak na of leerlingen de stof daadwerkelijk aan het leren zijn. Ze kijken daarbij niet alleen naar het product (het goede antwoord), maar ook naar het proces: hoe kwam de leerling tot dat antwoord? Zo zien ze of leerlingen het juiste leren, en kunnen ze misvattingen opsporen voordat die zich vastzetten. Deze controle op begrip is een vast onderdeel van het directe instructiemodel.

In de klas: vraag niet “Zijn er nog vragen?”, want daarop blijft het meestal stil. Vraag liever een willekeurige leerling om in eigen woorden uit te leggen waarom een antwoord klopt.

Lees voor meer informatie het artikel over feedback in de klas.

7. Zorg voor een hoog succespercentage

Oefening baart kunst, maar alleen als leerlingen het goede oefenen. Wie bij het oefenen steeds fouten maakt, slijpt die fouten in, en ingesleten fouten zijn lastig weer kwijt te raken. Effectieve leraren gaan daarom vaak na of hun leerlingen succesvol zijn.

Rosenshine noemt een succespercentage van ongeveer 80 procent tijdens het oefenen ideaal. Dat is hoog genoeg om te laten zien dat leerlingen het goede leren, en laag genoeg om nog uitdagend te zijn.

In de klas: maakt een flink deel van de klas de eerste opgaven fout, stop dan met het zelfstandig werken en ga terug naar begeleid oefenen.

8. Bied scaffolds voor moeilijke taken

Bij moeilijke taken kun je naast je eigen uitleg ook tijdelijke hulpmiddelen inzetten: een scaffold, letterlijk een steiger. Denk aan een uitgewerkt voorbeeld waarin alle stappen naar de oplossing al zijn ingevuld, een stappenkaart of een checklist. Door steeds meer stappen weg te laten, maak je de steiger kleiner en begeleid je leerlingen geleidelijk naar het zelfstandig uitvoeren van de taak.

In de klas: geef bij het eerste practicumverslag een voorbeeld waarin elk onderdeel al is ingevuld, bij het tweede alleen de kopjes met een startzin, en bij het derde alleen nog de kopjes.

Lees voor meer informatie het artikel over scaffolding.

9. Eis en monitor zelfstandige oefening

Je kunt en wilt leerlingen niet blijvend aan de hand houden: uiteindelijk moeten ze het zelf kunnen. Daarom volgt op het begeleide oefenen veel zelfstandig oefenen, zodat de kennis geautomatiseerd raakt. Zelfstandig betekent niet zonder toezicht. Je gaat na of het leerlingen lukt, of dat er nog meer (al dan niet begeleide) oefening nodig is. Ook zelfstandige oefening is een vast onderdeel van het directe instructiemodel.

In de klas: loop tijdens het zelfstandig werken eerst langs de leerlingen over wie je bij de controle op begrip twijfels had, en bekijk hun eerste antwoorden voordat ze verdergaan.

Lees voor meer informatie het artikel over het directe instructiemodel.

10. Activeer geleerde kennis regelmatig

Leerlingen hebben geen eentonige oefening nodig, maar juist een breed scala aan oefening, verspreid over de tijd. Door regelmatig terug te komen op eerder geleerde stof, bij Rosenshine wekelijks en maandelijks, worden de verbindingen in hun schema’s sterker en worden de schema’s rijker. Daardoor leren leerlingen nieuwe stof makkelijker en halen ze eerder geleerde stof sneller terug. Laat tussen die momenten wel tijd zitten, zodat leerlingen hun kennis ondertussen in nieuwe situaties kunnen toepassen.

In de klas: sluit elke vrijdag af met een korte quiz van vijf vragen, waarvan er minstens twee over hoofdstukken van weken of maanden geleden gaan.

Lees voor verdieping het artikel over effectieve leerstrategieën en het artikel over het constructivisme.

Van tien principes naar vier strengen

Tien principes onthoud je niet zo makkelijk, en ze overlappen deels: herhalen komt bijvoorbeeld terug in principe 1 én in principe 10. De Britse leraar en onderwijsadviseur Tom Sherrington bracht ze daarom in zijn boek Rosenshine’s Principles in Action (2019) onder in vier strengen: rode draden die door de principes heen lopen. Het boek is ook in het Nederlands verschenen als De principes van Rosenshine. De vier strengen zijn:

  • Kennis opbouwen en voordoen: principe 2 (kleine stappen), 4 (wees een model) en 8 (scaffolds). Deze streng gaat over hoe je nieuwe stof opbouwt en zichtbaar maakt.
  • Bevragen: principe 3 (veel vragen stellen) en 6 (nagaan of leerlingen het begrijpen). Vragen zijn tegelijk oefening voor de leerling en informatie voor jou.
  • Lesstof herhalen: principe 1 (dagelijkse herhaling) en 10 (wekelijkse en maandelijkse herhaling).
  • Oefenstadia: principe 5 (begeleid oefenen), 7 (hoog succespercentage) en 9 (zelfstandig oefenen). Samen beschrijven ze de route van samen oefenen naar zelf kunnen.
Schema: de tien instructieprincipes van Rosenshine in vier strengen: kennis opbouwen en voordoen, bevragen, lesstof herhalen en oefenstadia.
De tien instructieprincipes van Rosenshine in vier strengen, naar Sherrington (2019).

Dit schema is gewoon vrij te gebruiken! Link wel even naar deze pagina.

De genummerde lijst blijft handig om de principes te leren kennen. De vier strengen helpen vooral als je ze in je lessen wilt toepassen: je ziet sneller welke principes bij elkaar horen en welk deel van je les je wilt versterken.

Kritiek op de principes

De principes van Rosenshine zijn enorm populair, maar er is ook kritiek. Het is goed om die te kennen, zeker als je de principes gebruikt in een opleiding of als schoolbrede afspraak.

Een eerste kanttekening gaat over de onderbouwing. In een kritisch artikel in Tes Magazine (2024) wordt erop gewezen dat Rosenshine per principe maar twee of drie bronnen noemt, aan het eind van elk principe, in plaats van een bron bij elke bewering. Ook is een groot deel van het onderzoek waarop hij steunt tientallen jaren oud.

Een tweede kanttekening gaat over de reikwijdte. Rosenshine baseerde zijn principes niet op onderzoek naar het leren van heel jonge kinderen, dus voor de kleuterklas vragen ze een vertaalslag. Daarnaast werken de principes het sterkst bij stof waarvan je de stappen vooraf expliciet kunt maken, zoals rekenprocedures, begrippen en vaste vaardigheden. Bij open, creatieve opdrachten is die vertaling minder vanzelfsprekend.

Een derde reactie hoor je misschien het vaakst: de principes zijn toch gewoon gezond verstand? Sherrington merkt zelf op dat de meeste docenten het artikel zo zullen lezen. Dat is meteen de kracht én de valkuil. Wat vanzelfsprekend klinkt, wordt in de dagelijkse praktijk lang niet altijd consequent gedaan.

Gebruik de principes daarom als kapstok om over je instructie na te denken, en niet als afvinklijst die in elke les compleet moet zijn.

Rosenshine en het directe instructiemodel

Naast zijn tien instructieprincipes beschreef Rosenshine eerder, samen met Robert Stevens (1986), zes onderwijsfuncties die je terugziet in de lessen van effectieve leraren:

  • dagelijks herhalen wat eerder is geleerd;
  • nieuwe inhoud of vaardigheden presenteren;
  • begeleid oefenen (en controleren op begrip);
  • feedback en correcties geven (en zo nodig opnieuw inoefenen);
  • zelfstandig oefenen;
  • wekelijks en maandelijks herhalen.

Wie hier goed naar kijkt, ziet dat deze functies als twee druppels water lijken op het directe instructiemodel. Dat is geen toeval: het directe instructiemodel, dat in Nederland op veel scholen en lerarenopleidingen wordt gebruikt, bouwt voort op dezelfde inzichten. In het model komen de principes samen in een vaste lesopbouw. De combinatie van de tien instructieprincipes met een lesvoorbereiding volgens het directe instructiemodel levert dan ook een effectieve leeromgeving op.

Directe Instructie Model (DI-Model)-onderwijspraktijk-Modellen-Eenmeesterinleren.nl
Deze afbeelding is gewoon vrij te gebruiken! Link wel even naar deze pagina.

Deze afbeelding is gewoon vrij te gebruiken! Link wel even naar deze pagina.

Ik raad je aan om je ook te verdiepen in het directe instructiemodel. Lees daarvoor het artikel over het directe instructiemodel, waarin ik de fasen een voor een uitwerk.

Zo neem je Rosenshine mee in je volgende les

  • Kies voor een paar weken één principe om op te letten, in plaats van alle tien tegelijk. De korte herhaling aan het begin van de les (principe 1) levert vaak het snelst iets op.
  • Neem een les van jezelf op en luister terug. Hoeveel vragen stel je, en van hoeveel verschillende leerlingen hoor je een antwoord?
  • Vervang “Is het duidelijk?” door een vraag die iedereen moet beantwoorden, bijvoorbeeld op een wisbordje of op een briefje bij de deur.
  • Kijk tijdens het zelfstandig werken eerst naar de eerste opgaven. Gaat er veel fout, dan heb je te vroeg losgelaten. Dat is waardevolle informatie, geen mislukking.
  • Spreek met een collega af om bij elkaar te kijken naar één streng, bijvoorbeeld bevragen, en bespreek daarna wat jullie zagen.

Lukt het niet meteen? Dat is normaal, want gewoontes in je les veranderen langzaam. Maak het onderdeel dan kleiner, en leg in de leeromgeving voor waar je tegenaan loopt.

Samenvatting

Barak Rosenshine vatte onderzoek naar het geheugen, naar zeer effectieve leraren en naar cognitieve ondersteuning samen in tien instructieprincipes: herhaal dagelijks een deel van wat eerder is geleerd, presenteer nieuwe stof in kleine stappen, stel veel vragen en controleer de antwoorden van alle leerlingen, wees een model, begeleid het oefenen, ga na of leerlingen het echt begrijpen, zorg voor een hoog succespercentage, bied scaffolds bij moeilijke taken, eis en monitor zelfstandige oefening en activeer geleerde kennis regelmatig.

Tom Sherrington ordende de principes in vier strengen: kennis opbouwen en voordoen, bevragen, lesstof herhalen en oefenstadia. De principes zijn niet onomstreden, maar wel een sterke kapstok voor je instructie, zeker in combinatie met een lesopbouw volgens het directe instructiemodel.

Het originele artikel van Rosenshine kun je gratis downloaden als pdf (Engels).

Op zoek naar praktische kennis over onderwijs en
een betrokken groep collega’s om samen mee te leren?

“Al je vragen over onderwijs, leren en lesgeven snel beantwoord door
collega’s en andere experts”

Lees ook

Bronnen

Heb je vanuit je expertise of ervaring aanvullingen of kritiek op dit artikel? Die input is altijd welkom! Stuur een mail naar bastenberg@eenmeesterinleren.nl, zodat we informatie kunnen toevoegen of een fout kunnen herstellen. Dit artikel is gebaseerd op de video over de tien instructieprincipes uit de reeks Begeleidingsstrategieën (deel 3). Advies en technische realisatie: Basten Berg, meesterinleren.nl.