De tien gesprekstechnieken van Konig
Auteur: Basten Berg
Gepubliceerd: 25 juni 2026
Redacteur: Gezocht
Wil je dit artikel redigeren? Dat kan! Heb je een foutje gevonden of mis je informatie? Stuur dan een mail naar bastenberg@eenmeesterinleren.nl en help zo mee om het onderwijs te verbeteren.
Inhoudsopgave
- Wat zijn gesprekstechnieken?
- De tien interventies van Konig
- De interventies in de praktijk
- Samenvatting
Welkom op het platform eenmeesterinleren.nl. Een plek voor leraren, andere onderwijsprofessionals en iedereen die geïnteresseerd is in goede gespreksvoering in de klas.
Vanuit mijn achtergrond als leraar biologie, onderwijskundige en lerarenopleider schrijf ik artikelen en maak ik video’s om fundamentele theorieën over onderwijs, leren en lesgeven begrijpelijk aan te bieden.
Zoek jij soms naar richting in een gesprek met een leerling? Na het lezen van dit artikel ken je tien gesprekstechnieken en kun je per situatie een passende interventie kiezen.
Op de community voor leraren vind je een overzicht van alle uitgewerkte theorieën, geordend per thema, en een groep collega’s om samen mee te leren.
1. Wat zijn gesprekstechnieken?
Een gesprekstechniek of gespreksinterventie is elke reactie op wat een ander zegt: een vraag, een samenvatting, een advies of een goed getimede stilte. De Nederlandse pedagoog André Konig beschrijft in zijn boek In gesprek met de leerling (2001) tien interventies die je in gesprekken met leerlingen kunt inzetten.
De interventies zijn geordend op een continuüm: van veel ruimte voor de leerling (links) naar meer sturing door de docent (rechts). Konig verdeelt ze in drie groepen: A) de leerling doet zelf zijn verhaal (1–4), B) leerling en docent sturen samen (5–6) en C) de docent stuurt (7–10). In begeleidingsgesprekken werken de interventies aan de linkerkant vaak het best, omdat de leerling zo zelf inzicht krijgt; bij bijvoorbeeld disciplinaire gesprekken is meer sturing soms nodig.

2. De tien interventies van Konig
Ik loop de drie groepen en de tien interventies langs en illustreer ze met Tim, een fictieve leerling in de klas.
Groep A: de leerling aan het woord (1–4)
Aan de linkerkant van het continuüm krijgt de leerling de ruimte om zijn verhaal te doen. Je rol is vooral luisterend en faciliterend.
- 1. Aandacht geven – verbaal en non-verbaal laten merken dat je luistert. “Ik ben er om naar je te luisteren, Tim. Vertel maar rustig wat er is.”
- 2. Terugkoppelen – herhalen wat de leerling zei, zodat hij merkt dat je hem begrijpt. “Het klinkt alsof de ruzies thuis je veel stress geven.”
- 3. Vragend aansluiten (concretiseren) – doorvragen zodat het verhaal duidelijker wordt. “Kun je uitleggen wat je bedoelt met ‘weg van alles’?”
- 4. Samenvatten – samenvatten om te checken of je het goed begrijpt. “Dus als ik het goed begrijp, voel je je gevangen tussen de ruzies van je ouders, klopt dat?”
Groep B: samen sturen (5–6)
In het midden van het continuüm sturen leerling en docent samen; je geeft iets meer richting zonder de autonomie van de leerling te ondermijnen.
- 5. Ordenend sturen – de leerling helpen structuur aan te brengen. “Je hebt het over thuis, school én stress; klopt het dat die drie je het meest bezighouden?”
- 6. Vragend toevoegen – een vraag vanuit je eigen gedachten die aansluit op de leerling. “Denk je dat het zou helpen als je ouders wisten hoeveel hun ruzies jou raken?”
Groep C: de docent stuurt (7–10)
Aan de rechterkant neem je als docent de leiding en stuur je richting een oplossing of actie.
- 7. Confronteren – de leerling een spiegel voorhouden. “Je zegt dat je ouders je niet begrijpen, maar heb je het ze ooit echt verteld?”
- 8. Informeren/adviseren – informatie of advies geven. “Je zou met de schoolmaatschappelijk werker kunnen praten; zij kan je helpen met de stress.”
- 9. Oordelen – een waardeoordeel geven over de situatie. “Ik vind het niet fair tegenover jezelf om dit alleen te dragen; zoek hulp.”
- 10. Opleggen – een directe opdracht geven. “Tim, ik wil dat je vandaag nog met je ouders praat over wat je me net vertelde.”
3. De interventies in de praktijk
De interventies verschillen in effect, afhankelijk van de situatie en het type gesprek. Ze hoeven niet allemaal aan bod te komen en niet in een vaste volgorde: kies steeds de interventie die past bij het doel van het gesprek en de behoefte van de leerling. Denk ook aan een vervolgafspraak om te evalueren hoe het daarna gaat.
Welke interventie past, hangt samen met de fase van het gesprek. Bekijk daarvoor ook de vijf fasen van een gesprek volgens Konig. Naast dit model helpen handige ezelsbruggetjes als LSD, OMA en ANNA om je gesprekstechnieken scherp te houden. Het overzicht in de afbeelding kun je als gratis checklist downloaden op de community voor leraren.
4. Samenvatting
André Konig beschrijft tien gespreksinterventies, geordend van veel ruimte voor de leerling naar meer sturing door de docent: aandacht geven, terugkoppelen, vragend aansluiten en samenvatten (de leerling aan het woord), ordenend sturen en vragend toevoegen (samen sturen), en confronteren, informeren/adviseren, oordelen en opleggen (de docent stuurt). Door bewust te kiezen welke interventie past bij het doel en de fase van het gesprek, voer je effectievere en betekenisvollere gesprekken met leerlingen.
Dit is deel 3 van de reeks over gespreksvoering. Bekijk ook de vijf fasen van een gesprek, de vier gespreksniveaus of de hele Kennisbank.
Op zoek naar praktische kennis over onderwijs en
een betrokken groep collega’s om samen mee te leren?
“Al je vragen over onderwijs, leren en lesgeven snel en op een pek beantwoord door
collega’s en andere experts”
Lees ook
- De vijf fasen in een gesprek van Konig
- De vier gespreksniveaus van Fiddelaers-Jaspers en Ruigrok
- Gesprekstechnieken: LSD, OMA, ANNA en meer
- De Roos van Leary
- Alle artikelen in de Kennisbank
Bronnen
- Konig, A. (2001). In gesprek met de leerling. Noordhoff Uitgevers.
- André König – In gesprek met de leerling
Heb je vanuit je expertise of ervaring aanvullingen of kritiek op het artikel? Deze input is altijd welkom! Stuur dan een mail naar bastenberg@eenmeesterinleren.nl, zodat we informatie toe kunnen voegen of de fout kunnen herstellen!