Van dagelijkse taal naar schooltaal: DAT en CAT in de vakles

Auteur: Cindy Kuiper
Gepubliceerd: [datum invullen bij publicatie]
Redacteur: Basten Berg
Wil je dit artikel redigeren? Dat kan! Heb je een foutje gevonden of mis je informatie? Stuur dan een mail naar bastenberg@eenmeesterinleren.nl en help zo mee om het onderwijs te verbeteren.

Inhoudsopgave

  1. Wat is het verschil tussen DAT en CAT?
  2. Waar komen DAT en CAT vandaan? (Cummins)
  3. Drie verschillen: context, complexiteit en medium
  4. Vaktaal en algemene schooltaal
  5. Waarom is dit onderscheid belangrijk?
  6. Van concreet naar abstract
  7. Zo begeleid je de overgang in de klas
  8. Samenvatting

Welkom op het platform eenmeesterinleren.nl. Dit is deel 2 van de reeks over taalgericht vakonderwijs, geschreven door gastauteur Cindy Kuiper. Je hebt er als leraar vast mee te maken: leerlingen die in gewone gesprekken goed meekomen, maar vastlopen bij schoolse taken zoals het lezen van teksten, het interpreteren van grafieken of het uitvoeren van opdrachten. Hoe kan dat?

Deze video is gewoon vrij te gebruiken! Link wel even naar deze pagina.

Mijn naam is Cindy Kuiper. Ik ben associate lector Meertaligheid en Onderwijs aan de Hogeschool Utrecht en betrokken bij het Platform Taalgericht Vakonderwijs. Meer over mijn werk vind je op mijn LinkedIn-pagina.

Na het lezen van dit artikel ken je de begrippen Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT) en Cognitief-Abstracte of Academische Taalvaardigheid (CAT), en weet je hoe je leerlingen kunt begeleiden in de overgang van de een naar de ander. Dit deel bouwt voort op de introductie op taalgericht vakonderwijs.

Deze artikelenreeks hoort bij de kennisclips van het Platform Taalgericht Vakonderwijs. Op taalgerichtvakonderwijs.org vind je de volledige reeks video’s en meer verdieping.

Op de community voor leraren vind je informatie over de volledige reeks kennisclips en wissel je ervaringen uit met andere docenten.

Wat is het verschil tussen DAT en CAT?

Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT) is de taal van alledaagse gesprekken: eenvoudig, concreet en informeel, waarbij de context helpt om de betekenis duidelijk te maken. Een leerling zegt bijvoorbeeld: “Het regende heel veel en hard. Auto’s konden bijna niet meer rijden, mensen moesten door grote plassen lopen.”

Cognitief-Abstracte Taalvaardigheid (CAT) is de schooltaal die nodig is om te leren. Die taal is abstracter, preciezer en minder afhankelijk van de situatie; je gebruikt haar om te verklaren, redeneren en analyseren. In het aardrijkskundeboek staat over hetzelfde weer bijvoorbeeld: “De wateroverlast ontstond doordat in korte tijd extreem veel neerslag viel, waardoor de bodem en riolering de hoeveelheid water niet konden verwerken.” Kort gezegd: met CAT gebruik je taal om te denken en te leren, met DAT vooral om te communiceren in alledaagse situaties.

Waar komen DAT en CAT vandaan? (Cummins)

De begrippen komen niet uit de lucht vallen. In de jaren zeventig en tachtig maakte de Canadese onderzoeker Jim Cummins onderscheid tussen twee soorten taal die leerlingen ontwikkelen: BICS (Basic Interpersonal Communicative Skills), waarvoor wij de term DAT gebruiken, en CALP (Cognitive Academic Language Proficiency), de meer abstracte taal die wij CAT noemen. Kinderen groeien tijdens hun schoolloopbaan stap voor stap in dat schoolse taalgebruik. Alledaagse taal verwerf je relatief snel, maar denken in schoolse taal vraagt veel meer tijd en verdieping.

Drie verschillen: context, complexiteit en medium

  • Contextuele steun: DAT gebruik je in een concrete situatie; CAT is contextarm, voor communiceren over dingen die je niet direct ziet of hoort.
  • Cognitieve complexiteit: CAT vraagt meer denkvermogen. Bij DAT beschrijf je wat je op een filmpje van een vulkaanuitbarsting ziet; bij CAT verklaar je waarom dit gebeurt.
  • Medium: DAT is vooral mondeling; CAT is vaker schriftelijk.

Vaktaal en algemene schooltaal

CAT bestaat uit twee soorten taal. Ten eerste vaktaal: elk vak heeft zijn eigen begrippen, zoals neerslagintensiteit, waterafvoer, bodemverzadiging en overstromingsrisico. Ten tweede algemene schooltaal: abstracte woorden die in alle vakken voorkomen, zoals doordat, waardoor, leidde tot en gevolgen voor. Beide zijn nodig om leerlingen goed te laten deelnemen aan de les.

Waarom is dit onderscheid belangrijk?

Leerlingen die in dagelijkse taal prima functioneren, kunnen alsnog vastlopen op schoolse taken doordat ze de school- of vaktaal niet beheersen. Door DAT en CAT te onderscheiden zie je beter welke taal leerlingen nodig hebben om vakinhoud te begrijpen en onder woorden te brengen, en kun je hen daarbij gerichte taalsteun bieden.

Van concreet naar abstract

Het onderscheid geeft je houvast om van concreet naar abstract te werken: geef eerst betekenis in een herkenbare context, ontwikkel dan de denktaal, en introduceer pas daarna de vakspecifieke begrippen.

Zo begeleid je de overgang in de klas

Taalgericht vakonderwijs is gericht op die overgang en werkt vanuit drie pijlers: context, interactie en taalsteun. Neem opnieuw het voorbeeld van wateroverlast in de aardrijkskundeles.

  • Context: start met een kaart van Nederland, foto’s of filmpjes van polders en dijken. Leerlingen bespreken in dagelijkse taal wat ze zien en activeren hun voorkennis.
  • Interactie: in tweetallen of groepjes ontdekken leerlingen oorzaak-gevolgrelaties, zoals de link tussen lage ligging, polders, dijken en overstromingsrisico. Zo oefenen ze hoe geografen denken en redeneren.
  • Taalsteun: bied zinsstarters en vaktermen aan die dagelijkse taal omzetten naar vaktaal, zoals “Dit gebied heeft een groter overstromingsrisico omdat…” of “Nederland beschermt zich tegen water door…”

Tot slot laten leerlingen in een korte uitleg zien dat ze de stap hebben gemaakt van zien, naar denken, naar verklaren, met vaktaal en oorzaak-gevolgredeneringen. Zo ondersteun je bewust de overgang van DAT naar CAT binnen je vak. Meer werkvormen daarvoor vind je bij de activerende werkvormen op dit platform.

Samenvatting

Leerlingen bewegen van dagelijkse algemene taal (DAT) naar cognitief-abstracte school- en vaktaal (CAT). Die twee verschillen in contextsteun, cognitieve complexiteit en medium, en CAT bestaat uit vaktaal en algemene schooltaal. Door dit onderscheid te maken, zie je welke taal leerlingen nodig hebben en kun je hen met context, interactie en taalsteun stap voor stap van concreet naar abstract begeleiden. In het volgende deel gaan we dieper in op het werken met taaldoelen in de vakles.

Op zoek naar praktische kennis over onderwijs en
een betrokken groep collega’s om samen mee te leren?

“Al je vragen over onderwijs, leren en lesgeven snel beantwoord door
collega’s en andere experts”

Lees ook

De overige delen van de reeks Taalgericht vakonderwijs verschijnen binnenkort; interne links naar nog niet gepubliceerde delen werken pas na publicatie.

Bronnen

Deze video’s en artikelen zijn ontwikkeld door opleiders vanuit het Platform Taalgericht Vakonderwijs: Ankie Bakker en Roeland Harms (Hogeschool Arnhem Nijmegen), Mirjam de Bruijne (Hogeschool Rotterdam), Cindy Kuiper (Hogeschool Utrecht) en Maaike Hajer. Advies en technische realisatie: Basten Berg, meesterinleren.nl.